Het is een druilerige woensdagmiddag als in een oude gewezen volkswijk in Amsterdam-Oost een legertje jongemannen in zwart windjack met blauw-oranje logo de straat in komt lopen, iPad in de hand. Ze kletsen nog wat en gaan vervolgens uiteen: de ene helft van het peloton naar de oneven nummers, de andere naar de even.
In mijn benedenhuis op nummer 32 gaat de bel. Ik doe open en twee jongens, nat van de regen, één besnord en de ander met bril, kijken me verwachtingsvol aan.
‘Zijn jullie er alwéér?’ zet ik me schrap.
‘Goeiemiddag mevrouw. Als het goed is heeft u van ons een brief ontvangen over glasvezel’, probeert de bril aardig.
‘Ja, die brief ken ik ja. En ook zijn er al minstens tien collega’s van jullie aan de deur geweest. Hoe vaak moet ik het nog zeggen: ik ben niet bij Okido, ik ben bij KP-ehen!’
‘Maar mevrouw wij komen alleen kijken waar in uw woning de kabel moet worden aangesloten.’
‘Voor wie werken jullie dan? Voor Okido toch?’
‘Odido’, verbeteren bril en snor haar in koor.
‘Whatever. Ik wil gewoon niet meer dat jullie me lastigvallen, ik wacht op glasvezel van de KPN.’
‘Weet u wat, als we nou in ieder geval het kastje plaatsen. Dan is het verder geheel aan u of u daar gebruik van wilt maken’, biedt bril aan met zijn allerklantvriendelijkste gezicht.
‘Ik - wíl - het - niet!’
‘Dan rest ons nog te vragen of u erover na wil denken en wensen we u verder een heel fijne middag.’
De deur gaat dicht en ik kan door het raampje nog net zien dat de mannen bij eenhoog aanbellen.
Vijf minuten later gaat opnieuw de bel.
‘Sorry mevrouw, we moeten u nog één keer storen’, verontschuldigt snor zich. ‘Als we straks de kabel bij uw bovenbuurman gaan aansluiten moeten we toch echt bij u in de kruipruimte zijn.’
‘Kruipruimte? Ik héb helemaal geen kruipruimte!’